Tales of H.P. Lovecraft

H.P. Lovecraft (1890-1937) wordt vaak in één adem genoemd met Edgar Allen Poe. Ze staan duidelijk in dezelfde traditie: ze schrijven over dezelfde thema’s en voeren meestal een vergelijkbaar, geobsedeerd type hoofdpersoon op. Persoonlijk vind ik Lovecraft’s werk een stuk beter genietbaar omdat zijn verhalen en personages meer reliëf hebben.

De editie van Lovecraft’s Tales die ik las schijnt al hertaald te zijn maar er werd nog steeds vaak een ouderwetse spelling of taalgebruik in gehanteerd. Er komen zinnen voorbij als “Norris waked me when the phenomenon began” (p.23), “I had now been shewn the thing which certain forces had wished to shew me” (p.25). Al dat geshew riep bij mij associaties op met ‘Allo ‘Allo!, ondanks de soms doodenge verhalen.

Meestal wordt het verhaal verteld door een personage met enige afstand tot de gebeurtenissen: een familielid of landmeter. Lovecraft voert wetenschappers, politemannen en journalisten op die onderzoeken wat er is gebeurd. Die afstand maakt het echter, hoe vergezocht de verwikkelingen ook zijn. Bij vermoedens van satanische dierenoffers overwegen inwoners van een dorp om de Dierenbescherming erbij te halen. Dat soort details brengt de verhalen tot leven.

Toen Lovecraft dit schreef was het Victoriaanse tijdperk net ten einde. De Amerikaanse Burgeroorlog lag iets verser in het geheugen dan de Tweede Wereldoorlog nu bij ons. In deze verhalen is er elektrisch licht, er zijn telefoons en batterijen. De wetenschap wordt aangehaald in de vorm van o.a. de relativiteitstheorie. Er wordt gerefereerd aan de Eerste Wereldoorlog, toen nog de enige World War. Het enorme standsbewustzijn dat herhaaldelijk voorbij komt doet gedateerd aan. En toen was daar in The rats in the walls een zwarte kat die Nigger-Man heet. Toen begon me iets te dagen over Lovecraft’s reputatie.

Ideeën over inferieure rassen komen vaker terug: “The prisoners all proved to be men of a very low, mixed-blooded, and mentally aberrant type” (p.63, uit The Call of Cthulhu), “foreign mongrels” (p.67). Dat in één adem noemen van “gemengd” bloed met een geestelijk gehandicapt, lager soort mens, is een uiting van toen populaire eugenetische theorieën (die ik diverse Nederlandse politici dit jaar nog hoorde herhalen dus wat dat betreft zou ik bijna gaan geloven in de hopeloze achterlijkheid van sommige mensen. Maar dat terzijde.). Bij mij roept het de vraag op: als je dan een verhaal schrijft over de verering van een soort gevleugelde octopus, waarom haal je daar dan de vermeende inferioriteit van allerlei volkeren bij? Lovecraft’s verbeelding had zo zijn grenzen. Hij kwam niet los van zijn eigen milieu en wereldbeeld, hoezeer zijn werk zich ook richt op het fantastische.

Tegelijkertijd is Lovecraft zich bewust van het concept racisme. In The shadow over Innsmouth zegt een personage: “But the real thing behind the way folks feel is simply race prejudice -and I don’t say I’m blaming those that hold it. I hate those Innsmouth folks myself and wouldn’t care to go to their town.” (p.225). Eugenetische ideeën en standsbewustzijn zitten ook in dit verhaal maar het blijkt in alle Tales te gaan om het vermengen van menselijk met buitenaards bloed. Het draait dus niet om de sociale constructie die mensen van verschillende kleuren foutief aanmerkt als verschillende rassen. Het gaat echt om verschillende soorten en de aliens zijn angstaanjagend.

Lovecraft ondermijnt ook het idee dat de mens het middelpunt van het universum is of de alfa in God’s hiërarchie. Hij voert een uitputtende hoeveelheid buitenaardse wezens op, die allemaal intelligenter en machtiger zijn dan de mens. Later las ik dat Lovecraft zijn hele leven atheïst was en in dat licht krijgen zijn beschrijvingen van bloeddorstige buitenaardse religies een extra lading. Hij zette zich in zijn werk af tegen zijn religieuze omgeving. In The rats in the walls draait hij daarnaast het vooruitgangsdenken helemaal om. Verlichtingsidealen konden hem evenmin bekoren.

Lovecraft zette ook zijn eigen mythologie op, met wezens en fictieve boeken die in verschillende verhalen genoemd worden, zoals “the dreaded Necronomicon of the mad Arab Abdul Alhazred” (p.140). Dat is een staaltje Oriëntalisme: een exotische, enge Arabier met een boek vol mystieke wijsheid. Maar als je doorleest en erachter komt waardoor de beste man is doorgedraaid en wat er waarschijnlijk in dat boek staat dan klopt het wel letterlijk wat er staat. Hij was mad en de inhoud van zijn boek is eng.

Als je als lezer eindelijk de verschillende aliens uit elkaar kan houden blijkt dat het mis ging met die buitenaardse lui toen ze hun eveneens buitenaardse slaven meenamen naar de aarde. Het slavenras wierp de “superieure” aliens omver. Het blijft een ambivalent gebeuren om uit zijn werk conclusies te trekken over Lovecraft’s kijk op discriminatie in het echte leven. Al overheerst bij mij het gevoel dat hij zich wel erg makkelijk bediende van bestaande vooroordelen als verhaalelement.

Lovecraft plaatst zichzelf expliciet in een traditie door naast Poe schrijvers aan te halen als Algernon Blackwood, Arthur Machen en Clark Ashton Smith. Deze verhalen lezend valt op hoezeer die traditie tot op de dag van vandaag springlevend is. Er loopt een rechte lijn van The rats in the walls naar Caitlín R. Kiernan’s The red tree en ik vraag me af of Jeff VanderMeer inspiratie putte uit hetzelfde verhaal voor zijn Southern Reach trilogie. Abnormale vegetatie en dreiging vanuit het landschap is een motief in meerdere verhalen. Veel van de elementen (terugkerende vreemde dromen, een haunted house, goden uit vervlogen tijden, een familievloek) zijn nog steeds basisingrediënten voor het hedendaagse genre.

Ook buiten de literaire arena bleef de bundel van begin tot eind associaties oproepen, met bijvoorbeeld John Carpenter’s The thing. Ik vraag me af of de schrijvers van tv-serie Lost The colour out of space gelezen hebben. De verhalen leken af en toe wel een blauwdruk voor afleveringen van Buffy the vampire slayer en The X-files.

De overtuigingskracht en meeslependheid van de bundel zit hem grotendeels in hoe Lovecraft vanaf het begin van elk verhaal de lezer vertelt dat er iets gruwelijk mis is. Wat er dan precies aan de hand is wordt stukje bij beetje onthuld. De auteur gebruikt een uitgebreid vocabulaire om de sfeer neer te zetten en spanning op te bouwen en hamert daarmee op de angst voor het onbekende. Het vreemde wordt gelijkgesteld aan “degenerate“, “unholy” en “unnatural“. In diezelfde analogie wordt alles wat niet-wit of niet-westers is al snel als eng en achterlijk aangemerkt. Maar in The Dunwich Horror worden ook witte Amerikanen bij die abnormale categorie geschaard: “The natives are now repellently decadent, having gone far along that path of retrogression so common in many New England backwaters. They have come to form a race by themselves, with the well-defined mental and physical stigmata of degeneracy and inbreeding.“.

Na al die tijd zijn Lovecraft’s verhalen vaak nog heel eng. The shadow out of time leest als een koortsachtige droom en dat werkt meeslepend. Ondanks de WTF-momenten als de auteur rept van “foreign mongrels“, is deze bundel meestal een plezier om te lezen. De lol die Lovecraft moet hebben gehad bij het bedenken van dit alles straalt ervan af. Het is vet aangezet en toch intelligent verteld. Ik zou iedereen willen aansporen om het te lezen en zelf een oordeel te vormen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s