Adam Nicolson – The Seabird’s Cry. The Lives and Loves of Puffins, Gannets and Other Ocean Voyagers.

The Seabird’s Cry is geschreven in een genre waar Britten heel goed in zijn maar waar ik geen Nederlandse naam voor ken. In Britse kranten vallen de recensies ervan onder “wetenschap en natuur” maar het is een categorie boek dat meer beslaat dan dat: een mengeling van natuurbeschrijving en persoonlijke ervaringen, wetenschap gemixt met cultuurgeschiedenis. Bovenal geeft het een fascinerend beeld van diverse Europese zeevogels en hun mondiale avonturen.

Elk hoofdstuk behandelt een andere vogelsoort, wat het geheel overzichtelijk houdt en ervoor zorgt dat de enorme hoeveelheid informatie beklijft. Nicolson vertelt niet alleen over één specifieke groep vogels maar ook over hun plaats in een wereldwijd ecosysteem. Hij beschrijft de invloed van miljoenen jaren aan verandering in geografie en klimaat op de ontwikkeling van zeevogels en dus ook het effect van de huidige opwarming op de voedselketen. Hij brengt de effecten van klimaatverandering een stuk dichterbij door aan te stippen wat voor veranderingen er nu al in gang zijn gezet.

Dat grotere verhaal is boeiend maar het specifieke verhaal is ook een eyeopener. De noordse stormvogel (fulmar) vliegt letterlijk de halve wereld rond op zoek naar eten en komt dan weer terug naar het nest om de partner af te wisselen bij het broeden. Voor de bewoners van Saint Kilda (een afgelegen Schots eiland) was deze vogel eeuwenlang zo ongeveer hun enige bestaansmiddel. Ze vingen duizenden kuikens als ze op hun vetst waren en maakten schoenen van hun huid, vulden kussens en dekbedden met hun veren, hun lampen brandden op fulmarolie (waar die kuikens zo vet door waren) en ze aten de fulmars en hun eieren. Rond 1880 beschreef een reiziger hoe alle straten, huizen en bewoners bedekt waren met veren en vogelolie tijdens het jachtseizoen.

Ook de Beothuk, de oorspronkelijke bewoners van Newfoundland, overleefden dankzij zeevogels als voedselbron. Ze stierven uit in 1829, nadat Europeanen hen landinwaarts hadden gedreven. De Beothuk zagen de hemel als een zeevogeleiland.

De papegaaiduiker is met 100 miljoen jaar de oudste soort zeevogel. “The average longevity of a mammalian species is no more than half a million years.” (p. 57) Iets om in gedachten te houden de volgende keer dat de mens wordt aangehaald als superieure soort.

Toen Marie Antoinette struisvogelveren in haar pruiken verwerkte, gaf ze het startschot voor een modetrend die meer dan een eeuw zou duren. Veren en hele vogels als decoratie voor kleren, pruiken, hoeden en huizen kostte miljoenen vogels het leven gedurende de 19e eeuw. Alleen al tussen 1870 en 1920 werd er 20.000 ton aan (tropische) veren geïmporteerd in het Verenigd Koninkrijk. Daarnaast werden Britse zeevogels al in de jaren 1790 belaagd door massa’s amateurjagers. De eerste pogingen tot wettelijk geregelde zeevogelbescherming waren het gevolg maar veel hielp het niet.

Nicolson haalt allerlei (wrede) experimenten aan die door de jaren heen op zeevogels zijn losgelaten. Hieruit bleek onder andere dat alle vogels behalve degenen die ’s nachts actief zijn, zonlicht kunnen zien met hun hersens. Ze hebben hun ogen er niet voor nodig.

Uit onderzoek blijkt ook dat drieteenmeeuwen (kittiwakes) vele weloverwogen, strategische beslissingen nemen, van hoeveel eieren ze leggen tot waar en hoe laat ze op jacht gaan. Dat alles in dienst van het overleven. Er moet een balans zijn tussen hoeveel energie ze stoppen in het opvoeden van een jong of eten zoeken en hoeveel dat kost. Overbelasting is dodelijk.

Als je een GPS-tracker aan zo’n slimme vogel opdringt heb je kans dat de kittiwake gewoon de veren waar het apparaat op is gelijmd eruit trekt. Hopsakee. Het voortschrijden der techniek levert wel een hoop nieuwe info op –cruelty free– over wat al die vogels nou uitvoeren op zee. Dit boek combineert de overgeleverde kennis over zeevogels vanaf de Oude Grieken met die nieuwe inzichten. Nicolson heeft duidelijk een heleboel vakbladen doorgespit maar weet al die gegevens tot een leesbaar verhaal te kneden. De lyrische schrijfstijl wende snel en het respect dat de auteur heeft voor zijn onderwerp helpt ook bij de leesbaarheid.

Al die beschrijvingen van vogelgedrag geven ook een andere invalshoek op de sociale perikelen van mensen. Ik heb figuren op feestjes als een kolonie papegaaiduikers zien doen, signalen afgevend die tegelijkertijd “ik ben geen bedreiging” en “ik ben sterk en succesvol dus kijk maar uit” zeggen. Een hoog stressniveau geeft drieteenmeeuwen een signaal dat het geen zin meer heeft om nog te investeren in hun jong als er te weinig vis is. Net zoals een burn-out in mensen een duidelijk teken is om te stoppen met het overschrijden van de eigen grenzen. Het is hetzelfde principe: de investering van energie gaat dan tegen het eigenbelang in en het lichaam geeft dat aan.

Sommige nestplekken van de giervalk op Groenland zijn meer dan 2000 jaar oud. Wetenschappers kwamen daar achter door koolstofdatering van de lagen poep. De jongste nestlocatie is sinds 1350 in gebruik. Snow petrels op Antarctica bouwen hun nesten al 34.000 jaar op dezelfde plek.

The Seabird’s Cry is vaak ronduit spannend om te lezen omdat je samen met de door Nicolson beschreven wetenschappers nieuwe ontdekkingen doet. Gabrielle Nevitt kwam erachter dat zeevogels van de Procellarioformes-familie, die allemaal een sterk ontwikkelde neus hebben, bij hun wereldwijde reizen de geur van plankton als leidraad gebruiken. In wat voor mensen één massa water is, kunnen zij plekken onderscheiden en een mentale plattegrond maken door de geur op te pikken van het gas dat plankton produceert.

Dit boek staat boordevol dingen die ik nog niet wist. Het gaat over zeevogels maar ook over hoe mensen zich tot hen verhouden. Dat heeft lelijke kanten maar kan ook uitmonden in een symbiotische relatie. In China worden bijvoorbeeld al sinds de 7e eeuw tamme aalscholvers gebruikt in de visserij. De vogels zelf zijn ook geen Disney-creaties. De natuur is hard. Bepaalde meeuwen (bijna allemaal mannetjes) bedreigen het bestaan van hun eigen koloniedoor massaal de jongen van de buren op te eten. Zeekoeten leven dan weer in een matriarchaat. Die variatie is fascinerend en Nicolson schrijft het mooi op. Een geweldig boek.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s